Het Romeinse rijk had een groot leger dat bestond uit 300.000 man. Dat leger bestond uit 28 legioenen, een legioen bestond uit 5300 man. zo'n legioen was onderverdeeld in negen cohorten van 500 man en één elitecohort van 800 man. Een cohort bestond uit 5 of meer centurien van 100 en later 80 man. Het staande leger, de mensen die altijd in dienst waren, telde 28 legioenen, de rest waren soldaten van de veroverde landen. Ook konden er soldaten opgeroepen worden als er een speciale veldtocht was. Als een soldaat 25 jaar gediend had kreeg hij een stukje land of een geldbedrag en hij mocht stoppen met werken. Toen mocht hij van zijn vrijheid, landgoed of zijn geld.